Drie jaar geleden schreef ik over mijn zoon

Drie jaar geleden schreef ik over mijn zoon

Het is inmiddels drie jaar geleden dat ik mijn gevoel verwoordde in een bericht op social media. Het was duidelijk geworden dat de situatie zou gaan veranderen. Zoonlief zou de overstap moeten maken naar speciaal onderwijs. Drie jaar na deze beslissing kijk ik terug.

In december 2012 ging mijn zoon voor het eerst naar school. Voor het gemak kozen we voor een school in de buurt. Tijdens de introductie avond voor nieuwe ouders maakte ik kennis met het onderwijssysteem van deze school. Ik verbaasde mij erover dat er al in de kleuterklassen gewerkt werd met planborden en weektaken. Hoe zat dat dan met spelen? Er werd mij verzekerd dat er ook gewoon gespeeld kon worden. De praktijk wees net iets anders uit. Kinderen die daarvoor gevoelig zijn voelden de druk om de weektaak af te krijgen. Mijn zoon concentreerde zijn aandacht eigenlijk alleen maar op de dingen die leuk waren en terug te vinden waren op de weekkaart. De andere dingen wilde hij niet doen. Behalve het leren lezen.

Vier weken nadat hij begonnen was op school kwam de eerste frustratie eruit. Hij kwam aangerend met een van mijn geschiedenisboeken en zei mij (het was niet eens een vraag) “Je moet mij leren lezen!” Ik vroeg hem waarom hij dat wilde en waarom ik dat zou doen. Zijn antwoord: “Op school willen ze mij dat niet leren.” Het was alsof hij iets zou missen. Alsof hij achter zou gaan lopen. Ik verzekerde hem dat er nog genoeg tijd was. Als kleuter moest hij zich maar concentreren op spelen. Van spelen leer je immers ook heel erg veel. Je leert er bijvoorbeeld van samenwerken, zo legde ik hem uit. Toen al liet hij weten dat het niet zou gaan lukken. De kinderen wilden niet altijd spelen met hem. Ze noemden hem baby of kleintje. Dat zou alleen maar erger gaan worden in de jaren die volgden op deze school.

“Je kunt het toch niet.” Dat waren woorden die bleven hangen. Ze werden niet alleen tegen hem gezegd door de kleuters. Het waren ook kinderen uit andere klassen die hem dat verzekerden. Bijvoorbeeld tijdens de buitenschoolse opvang. Er was geen grijs, alleen zwart en wit. Je mocht als jongen de kleur roze niet mooi vinden. Je mocht je als jongen niet verkleden in een jurk. Je mocht niet buiten de lijntjes kleuren, letterlijk of figuurlijk. Dan viel je op. Dan was je de kabouter, dan was je stom. En dan werd je buitengesloten. Werd je daarover boos, wat terecht is (want je hoeft dat soort dingen niet te accepteren), dan kreeg jij de schuld. De pestkoppen werd de hand boven het hoofd gehouden. Onze zoon was anders en moest zich maar aanpassen. Ondanks de tegenwerpingen van ons als ouders, dat hij inderdaad anders was en dit geen probleem zou moeten zijn. Nee, ik doel niet op een rugzakje. Want dat rugzakje – iets waarover veel geschreven is door anderen en vooral de druk die dit neerlegt bij het onderwijzend personeel – was er nog niet. Dat rugzakje kwam er wel. Noem het ongewenste bagage.

De ongewenste bagage bestond uit faalangst. Faalangst omdat anderen hem ingepeperd hadden dat hij het niet kon. Dat hij niets kon. Maar ook omdat hij zijn geliefde opa verloor. Begrip over dat laatste was overigens ver te zoeken. Twee dagen na zijn terugkeer op school na het verlies van zijn opa en de crematie moest er gewoon weer getoetst worden.

De situatie op deze school werd langzaam onaanvaardbaar. Hij werd buitengesloten door kinderen. Wij als ouders werden buitengesloten door ouders. Dit kon niet langer zo doorgaan.

Inmiddels was duidelijk geworden dat hij een hoog IQ had. Dat zag hij alleen zelf niet zo. Sterker nog, hij vond dat hij echt niets kon. Het is een klein wonder te noemen dat hij naar groep 1 mocht gaan. Met zes jaar naar groep 1 was eigenlijk iets waar wij niet echt achterstonden. De school wel. Er werden beloften gedaan. Loze beloften. Over betere begeleiding, over de mogelijkheid om andere dingen te leren. Maar eigenlijk was het allemaal al verpest.

Als ouders besloten we iets te doen dat anders was. In tegenstelling tot de andere ouders verzetten we ons tegen deze school, vanwege de beloften. Vanwege het niet nakomen van afspraken. We kozen ervoor om iets te doen dat we eigenlijk vanaf het begin al hadden moeten doen: we kozen voor de vrijeschool. Waar het cognitieve niet alleen gestimuleerd wordt, maar ook het artistieke. Een beslissing met grote gevolgen.

In de eerste plaats hield het contact met de meeste ouders van de andere school gewoon op. Mensen die eerder bijzonder hartelijk waren – ze waren er destijds nog, niet iedereen negeerde ons als ouders van dit kind – kozen ervoor om te negeren.

De eerste weken op de vrijeschool gingen snel voorbij en we hadden toen al moeten weten dat de basis eigenlijk verpest was. Verpest door een systeem dat alleen gericht was op cognitief én waarin de pestkoppen toch altijd gelijk kregen. Het gevolg: zoonlief ging van de eerste klas terug naar de kleuterklas. Hij wilde nog zo graag spelen. Hij zag zijn zusje als kleuter spelen met haar klasgenootjes en stond vertwijfeld voor het raam van zijn eerste klas. Of hij niet even mocht spelen met zijn zusje. Daarna zou hij weer gaan leren. Dat kon natuurlijk niet zo doorgaan. Dus de keuze werd gemaakt om hem te geven wat hij wilde: spelen bij de kleuters.

Met zes jaar teruggaan naar de kleuters is helemaal niet raar. Niet op de vrijeschool, al komt dit niet vaak voor. Dat heeft ermee te maken dat kinderen van zes gewoon nog in de kleuterklas zitten. Rond het zevende levensjaar gaan zij door naar de eerste klas.

Nu zou alles goedkomen. Maar nee. Er werd een speciaal zorgteam op deze zaak gezet en we kozen ervoor om onze zoon te laten beginnen met speltherapie. Deze therapie zou later aangevuld worden met EMDR. Deze therapie wordt ingezet bij mensen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Inderdaad, onze zoon had een PTSS. Een psychische aandoening. Enerzijds door het overlijden van zijn opa, maar voor het allergrootste deel door de pesterijen en vernederingen die hij moest ondergaan op zijn eerste school.

We hadden goede hoop dat het beter zou gaan. Er werd een shadow gevonden die hem in de klas zou begeleiden. Een shadow is iemand die onze zoon begeleiding gaf in de klas. Het pakte anders uit. Hij vond dit meisje vervelend en verklaarde hierover: “Het is alsof ze mij constant volgt!”

Er volgden weinig hoogtepunten in de eerste periode. Totdat we ineens te horen kregen dat het beter ging. De therapie bleek aan te slaan. Zoonlief maakte hele kleine sprongetjes. Maar niet voldoende. Althans, dat vond de school. Men was van mening dat onze zoon er even tussenuit moest. Een ander soort onderwijs. Dit tegen het advies van de therapeut. Ook de overige leden van het zorgteam waren het hiermee niet eens. School was echter niet op andere gedachten te brengen.

Mijn boosheid kende geen grenzen op dat moment. Ondanks dat ik van mening was dat er zoveel zaken goed gedaan werden op school. Je zou bijna vergeten dat we nog een kind hadden. Dat klinkt ernstig, maar een groot deel van de aandacht ging uit naar onze zoon. Onze dochter verdiende echter ook aandacht. Even heb ik met het idee gelopen om ze beiden niet meer naar deze school te laten gaan. Dan zou ik ze wel thuisonderwijs geven. Daar kom ik later nog wel op terug, dat thuisonderwijs. Maar omdat de aandacht zo vaak uitging naar zoonlief, was het nu zaak dat dochterlief ook aandacht kreeg. Dat kreeg ze in de vorm van het onderwijs dat écht bij haar hoorde: het vrijeschoolonderwijs. Dat komt misschien over als een paradox. Dit was alleen een ander kind. Een kind dat ook aandacht verdiende.

We besloten te kijken wat de mogelijkheden waren. Verschillende scholen in de regio heb ik aangeschreven. Het was alsof ik aan het solliciteren was. Afwijzing op afwijzing volgde. De ene afwijzing was nog directer dan de andere. Toch heb ik liever een meer directe afwijzing in de vorm van dit durven we niet aan, dan allerlei onzinredenen. Scholen durfden het niet aan, omdat dit een rugzakkindje was. En dat was blijkbaar een te grote uitdaging.

We keken naar scholen voor speciaal basisonderwijs. We kozen er een en het werd tijd om onze zoon hierop voor te bereiden. Dat was drie jaar geleden. Na de zomervakantie van 2016 begon het nieuwe avontuur op de school voor speciaal basisonderwijs. Voortaan waren we er eerlijk over naar de buitenwereld: onze zoon op het speciaal onderwijs, onze dochter op de vrijeschool. Niet dat de buitenwereld er iets over te zeggen had. Dat kregen we trouwens toch niet te horen, we werden immers nog steeds genegeerd.

De eerste week begon met echte hoogtepunten. Onze zoon werd opgesloten in het fietsenhok, werd bijna gestoken met een potlood en kreeg te maken met taalgebruik dat hem onbekend was. Daarmee bedoel ik de meest verschrikkelijke schuttingtaal. Taal die hij ook mee naar huis nam. Voortaan was ik de kankervader, die hem naar deze verschrikkelijke school gestuurd had. Voortaan was ik de kutvader, die gemeend had om hem neer te zetten tussen kinderen die hem pijn deden.

De woede uitte zich voornamelijk tegen mij. In mindere mate tegen zijn moeder. Dat had er vooral mee te maken dat ik het meeste thuis was. Was zij meer thuis, dan had zij de volle lading over zich heen gekregen.

Alles dat niet of niet goed verwerkt was op school, kwam er thuis uit. Het gevolg: zoonlief zat meer thuis dan dat hij op school was. Geen verbetering van hoe het was op de vrijeschool. Daar heeft hij ook met enige regelmaat thuisgezeten overigens. Omdat het niet meer ging.

Er was een periode waarin wij als ouders gevraagd werden om op school te blijven, voor wanneer het mis zou gaan. Een idiote vraag, achteraf overigens. Dat was alleen hoe de school het dacht op te lossen. Deze vraag werd overigens niet gesteld op de nieuwe school. Hier werden we alleen opgebeld met het verzoek om onze zoon op te komen halen. Zelfs nadat de schoolbel voor het begin van de klas nog maar net geluid had.

Thuis met mijn zoon stond in het teken van school. Al het werk dat niet gedaan of af was moest dan maar thuis worden gedaan. Daarom ging ik kijken naar de mogelijkheden van thuisonderwijs. Wanneer het op school toch niet zou lukken, waarom zou ik het dan zelf niet gaan doen? Ik zag het al wel voor mij; onderwijs geven op maat. Waar nodig hulp vragen aan anderen.

De regels voor thuisonderwijs in Nederland zijn bijzonder streng. Wanneer je Wikipedia erbij pakt, dan lees je het volgende hierover:

In Nederland geldt sinds 1969 thuisonderwijs in principe niet meer als vervulling van de leerplicht. Wel zijn er wetsartikelen door middel waarvan er vrijstelling van inschrijving op een school kan ontstaan. Het bekendste is 5 sub b van de Leerplichtwet 1969 en 14 sub b van de Leerplichtwet BES, waarmee ouders zich beroepen op zogenoemde richtingbedenkingen. Dat wil zeggen dat ze geen school in hun omgeving kunnen vinden die overeenkomt met hun eigen levensovertuiging. Andere redenen die kunnen leiden tot (tijdelijke) vrijstelling van inschrijving op een school zijn het leiden van een trekkend bestaan (5a: kermisexploitanten en circusmedewerkers) of dat het kind lichamelijk of geestelijk niet in staat is om een school te bezoeken (5 sub a).
Ik had mij misschien kunnen beroepen op de geestelijke onbekwaamheid. Maar daarvoor zijn de regels ook bijzonder streng. Bovendien, onze zoon had al scholen bezocht en daarmee was de deur voor thuisonderwijs eigenlijk wel gesloten.

We moesten dus doorgaan met dit alles. Dus ook met onze bezwaren waarom wij van mening waren dat het thuis afmaken of inhalen van lesstof geen goed idee was. Wij waren geen onderwijzend personeel. Wij maakten geen onderdeel uit van de school.

Naast het kenbaar maken van de bezwaren over het spelen van leraar of lerares was er nog een ander punt van aandacht. Ook op de school voor speciaal basisonderwijs werd onze zoon gepest. Dat brengt mij bij de reden waarom ik op een dag als vandaag niet bijzonder vrolijk ben. Dat ben ik vandaag niet. Vandaag is de dag waarop ik via socials liet weten dat het ook op de vrijeschool niet gelukt was. Vandaag is ook de dag waarop ik terug kijk op de drie jaar van mijn zoon op speciaal basisonderwijs.

Eerlijk gezegd stemt mij het niet allemaal even vrolijk. Nog steeds wordt mijn zoon gepest. Nog steeds moet hij vechten tegen dat wat hem remt. Het gaat beter met zijn faalangst, maar het is nog steeds aanwezig. Wat niet helpt hierbij: naast zijn hoge IQ is hij hoogsensitief. Bepaalde dingen komen bij hem dus harder aan. Waar anderen dingen naast zich neerleggen, is dat bij hem moeilijk. Daarnaast is zijn enthousiasme een remming. Een remming omdat anderen hem daarop blijven veroordelen. Hij kan er enthousiast van worden wanneer hij drie stukjes zelfgemaakte pizza mee naar school mag nemen en wil dit – in zijn enthousiasme – graag delen. Daarop kan hij een vraag verwachten of Zijn moeder hem soms vet wil mesten, omdat hij toch al zo dik is.

Onze zoon is niet een van de grootste kinderen die er rondloopt. Daar is onderzoek naar gedaan en zijn skeletleeftijd loopt achter op zijn echte leeftijd. Dat komt later allemaal goed hoor. Alleen nu nog niet. Omdat hij op de huidige school minder beweegt, is hij iets aangekomen. Nu hij een nieuwe sportieve uitdaging gevonden heeft, BMX, gaat dat al veel beter. Toch is dit aankomen een goede motivatie voor sommige leerlingen om hem uit te maken voor dik. Omdat dit nu al zo vaak tegen hem is gezegd, is hij daarin gaan geloven. Ook is hij gaan geloven in het idee dat de pesterijen op deze school nog erger zijn dan op zijn eerste school (op de vrijeschool is hij overigens niet gepest). Misschien is dat ook wel het geval. Het is misschien erger geworden. Maar wat moet je zeggen als ouder? Je zegt dat het allemaal gaat goedkomen. Dat hij die pestkoppen moet negeren. Maar wat nu, wanneer die pestkoppen keer op keer triggers weten over te halen? Wanneer ze precies weten hoe ze hem klein moeten krijgen?

Er zijn ouders die van mening zijn dat je, wanneer het emmertje te ver is overgelopen, maar gewoon letterlijk moet terug gaan slaan. Wij zijn niet deze ouders. Wij geloven niet in geweld. Geweld om je te verdedigen, dat kan. Geweld om pesters te weerhouden of tegen te houden niet.

Drie jaar later kijk ik terug op wat er allemaal is gebeurd. Is het allemaal zo ontzettend negatief? Het klopt dat er veel is voorgevallen. Een groot aantal dingen kun je omschrijven als negatief. Toch zijn er ook lichtpuntjes te ontdekken. Schoolreisje bijvoorbeeld. Dat was leuk, daarvan heeft hij genoten. Of dat hij eindelijk weer eens muziekles krijgt. Maar toch, een groot deel van de positieve zaken moet ik niet zoeken op school. Daarbuiten. Hoe wij het als ouders doen. Hem bijvoorbeeld de kans bieden om iets te doen dat hij al zo lang wilde doen: rijden op een BMX-fiets. Of die momenten waarop hij samen met mij gaat fotograferen.

Over ongeveer een maand is het schooljaar voorbij. We gaan ook direct na het afsluiten van het schooljaar op vakantie. Iets waar hij nu al naar uit kijkt. Een periode zonder pesters, zonder moeten en met kinderen waarmee hij het wel kan vinden. Datzelfde kan gezegd worden voor afgelopen weekend. Zaterdag ging hij samen met mijn wederhelft, zijn oma en zijn zusje naar een evenement georganiseerd door de SCA. Dat is een organisatie die zich bezighoudt met creatief anachronisme. Of, zoals ik het misschien oneerbiedig over kan brengen: terug naar de middeleeuwen. Aangekleed in een tuniek en de hele zaterdag bezig zijn met onder andere boogschieten, zwaardvechten en andere dingen die thuishoorden in de middeleeuwen.

Grappig detail over deze dag: hij leerde een meisje kennen dat jonger is dan dat hij is. Zeven jaar oud en – net zoals hij hoogbegaafd en hoogsensitief. Volgens mijn wederhelft waren ze een groot deel van de dag samen op stap. Het maakte overigens niet uit dat dit meisje afkomstig was uit Engeland. Zonder moeite heeft zoonlief zichzelf Engels aangeleerd en kan prima communiceren in het Engels.

Is het allemaal zo erg geweest, de afgelopen drie jaar? De pessimist in mij zegt: Een groot deel wel. De optimist zegt: Er waren hoogtepunten, er waren dieptepunten. Het is jammer dat het niet gelukt is op de manier waarop wij het voor ogen hadden, maar er is altijd een horizon om naar uit te kijken.

En de vader van een zoon die niet altijd even gelukkig is zegt: Ik hoop dat het goed gaat komen. Daar gaan we samen voor zorgen. En dat is wat ik doe, veel langer al dan drie jaar…

De vraag is natuurlijk: is het in drie jaar beter geworden? 

Eigenlijk heb ik daarop geen antwoord. Nee, het is niet beter geworden als het gaat om hoe zoonlief zich soms voelt (niet begrepen door anderen, nog altijd last van zijn faalangst en nog steeds mikpunt van pesterijen). 

Ja, het is beter geworden als ik kijk naar de lichtpuntjes. Hoe hij iets meer in zichzelf geloofd. Hoe hij dingen soms aanpakt of doet. 

Bron afbeelding: Pixabay

Volgen

Harm Jagerman

Trotse eigenaar van een website over zijn leven als fotograferende en schrijvende huisvader. Vader van twee kinderen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: