Goud die eeuw!

Goud die eeuw!

Goud die eeuw!

Iedereen heeft vandaag een mening over de vaderlandse geschiedenis. Die aandacht is er niet iedere dag. Sterker nog, veel mensen vinden geschiedenis maar iets dat saai is. Totdat er iets gezegd wordt dat een onderwerp is dat velen lijkt aan te spreken. Dan is er voldoende ruimte om eens goed een mening te verkondigen. Dit keer is het niet het Sinterklaasfeest, maar is het de Gouden Eeuw. Goud die eeuw! Of niet?

De Nachtwacht
Het is een van de bekendste schilderijen van de Gouden Eeuw: De Nachtwacht van Rembrandt van Rijn.

Bron: Wikimedia

Er zijn perioden in de vaderlandse geschiedenis waar we echt trots op mogen zijn. Denk aan de opstand tegen de Spanjaarden die de opmaat vormde voor het Nederland dat we vandaag de dag kennen. In de stad waar ik geboren ben, Leiden, viert men ieder jaar op 3 oktober het Leidens Ontzet. Oftewel: men staat min-of-meer stil bij de bevrijding van Leiden door de Watergeuzen in 1574. De stad werd bevrijd na een beleg door de Spanjaarden. Toegegeven, vandaag de dag is het een groot volksfeest. Daar is natuurlijk niets mis mee. Een feestje is altijd goed!

Maar er zijn meer hoogtepunten te bedenken. Neem bijvoorbeeld eens de bevrijding van Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Een oorlog die een zware tol heeft geëist en waarover vandaag de dag nog steeds boeken verschijnen.

Ik kan nog wel even doorgaan met de hoogtepunten te beschrijven uit de rijke geschiedenis van dit kikkerlandje. Maar het gaat om de Gouden Eeuw. Strikt genomen was het geen eeuw. Een eeuw, mocht je het niet weten, is een periode van honderd jaar. De geschiedkundigen verschillen van mening of deze periode nu begon in 1602 (het oprichtingsjaar van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)) of 1609 (het jaar waarin het Twaalfjarige Bestand in zou gaan). In ieder geval was het een periode waarin de economie floreerde. Overigens tot aan 1621. Toen was er een periode van economische neergang in sommige delen van het land – veroorzaakt door de Dertigjarige Oorlog (1618 – 1648). Na 1648 groeide de economie weer en dat bleef zo tot aan 1672. Dit jaar kennen we ook wel als het Rampjaar 1672. Je weet wel, dat jaar van “Het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.” Oftewel: De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Münster en Keulen. Maar goed, dat is weer voer voor een heel ander blog. Het gaat nu over de periode die we voor het gemak dus maar even beschouwen als een eeuw, terwijl het eigenlijk geen honderdjarige periode betrof. Een kniesoor die daarom maalt overigens.

Weelde en rijkdom. Dat straalt af van de talloze schilderijen die we kunnen terugvinden in musea. Niet alleen musea in Nederland. In de rest van de wereld is men nogal verzot op de schilderkunst uit de zeventiende eeuw.

Waarom?

Waarom een Gouden Eeuw? In de eerste plaats vanwege de economische groei. Nu moet je overigens niet denken dat het goud op straat te vinden was. Het was een selecte groep van Nederlanders die hiervan wist te profiteren. Je weet wel, dat zijn die mensen op de schilderijen. Zij vonden zich belangrijk genoeg om te laten portretteren. Of ze werden als belangrijk gezien. Het overgrote deel van de bevolking had een broertje dood aan alles wat gezien werd als vooruitgang. Zij moesten onder soms erbarmelijke omstandigheden hun dagen slijten. Maar da’s natuurlijk niet leuk om te lezen. Da’s niet zo sexy.

Nieuwkomers

We gaan verder met de andere redenen waarom we deze periode de Gouden Eeuw noemen. Ons land verwelkomde nieuwkomers. Deze immigranten hadden goede redenen om naar de Republiek te komen. Hier was niet alleen de welvaart. Er was ook vrijheid om je eigen godsdienst te belijden. De inwoners van de Republiek spraken over de ware vryheit. Een rekbaar begrip overigens. Want was je katholiek dan mocht je na het uitbreken van de Beeldenstorm niet meer een eigen kerkgebouw bezitten dat opviel. De bestaande katholieke kerken waren in de meeste gevallen ontdaan van alles dat Roomsch was. Ze werden nu gebruikt als godshuizen voor de protestanten. Detail-detail. Dat er tijdens de Synode van Dordrecht (13-11-1618 – 29-05-1619) besloten werd dat de remonstranten niet meer openlijk hun religie mochten belijden en daarmee buitenspel werden gezet, ach.

Was je trouwens joods, dan had je pas echt een probleem. Wilde je een beroep uitoefenen, dan moest je in de meeste gevallen lid zijn van een gilde. Voor joden was het verboden om lid te worden van een gilde. Werd je als jongen of meisje verliefd op iemand die lid was van een andere religie, dan kon je fluiten naar een eventueel huwelijk. Dat was namelijk verboden.

Wetenschap

Goed, we gaan door met de wetenschap. De verwevenheid tussen wetenschap en politiek was overigens in sommige gevallen erg nauw. Zo was Johan de Witt niet alleen wiskundige. Hij was ook een van de landsbestuurders. Dan was er nog ene Baruch Spinoza, maar dat is een ander verhaal. Deze filosoof, wiskundige en politiek denken zorgde voor een excommunicatie uit de joodse gemeenschap vanwege de manier waarop hij dacht. Maar ja, onder de niet-joden had deze voormalige jood ook niet altijd vrienden. Zo beweerde sommigen dat hij homoseksueel was. Iets dat strafbaar was overigens in het tolerante Nederland.

Ik dwaal af. Wetenschap. Daarover ging het. Over de ontwikkeling van het denken. Over de uitvindingen. Over de manier waarop men de wereld bezag misschien ook wel. En laat dat nu net een van de pijnpunten zijn. De manier waarop men al snel wist waar men wat moest halen en wat men daarvoor over moest hebben. Ik doel niet alleen maar op de slavenhandel. Ik heb het dan ook over de manier waarop men in Oost-Indië handel bedreef. Wilden de boeren aldaar niet meewerken aan het plan om te planten wat de Nederlanders wilden, dan was er altijd nog een manier om hen te dwingen: met behulp van geweld. 

Opium

Maar er was nog een aantrekkelijk gebied voor de Nederlanders in het oosten: Bengalen. Dit is een regio in het noordwesten van India. Daar hadden de Portugezen eerst een handelskantoor. Later werd dat een Nederlands handelskantoor. Men wilde daar maar wat graag een handelspost hebben, want dit bracht rijkdom uit zijde, salpeter, suiker en… opium. Die laatste optie was echt een booming business. De drug zou zo populair worden binnen de VOC dat men deze ook gebruikte als betaalmiddel. Een van de bekendste voorbeelden is dat van de handel door Joannes van der Straaten. Hij werd door de VOC zelf aangesteld om iets te doen aan de handel in opium. Per maand zou hij 100 gulden hiervoor krijgen. In zeven jaar tijd zou hij 175.000 gulden naar Nederland overmaken. Drie keer raden waar hij dit fortuin mee verdiende.

Het probleem met de VOC was dat men iets zei, terwijl men iets anders deed. Neem nu de manier waarop men tegen opium aankeek. Het was verboden, toch werd er weinig gedaan om de handel te bestrijden. Althans, de onderhandse handel. De handel die niet gecontroleerd werd door de VOC zelf. Van der Straaten wist zich dus schathemeltjerijk te maken doordat er niet gecontroleerd werd. Of liever: de controleur was eigenlijk de fraudeur. Daar had men in Nederland best wat aan kunnen doen, maar dat deed men niet. Nou ja…

Van der Straaten had eigenlijk een opdracht. Een einde te maken aan de onderhandse handel in opium. Dat lukte niet en daardoor liep de VOC veel geld mis. Met andere woorden: de VOC wist van de handel en wilde hier zelf aan verdienen.

Tussenstapje: De Sociëteit tot den Handel in Amfioen

Misschien is het sommige ontgaan, omdat de naam van opium anders was. Een goed voorbeeld is de oprichting van De Sociëteit tot den Handel in Amfioen. Al werd deze opgericht in 1745, dus nádat de Gouden Eeuw ten einde was gekomen. Het was echter een formele voortzetting van iets dat al langere tijd gaande was: een levendige handel in opium.

Even een zijspoor dan naar de oprichting van De Sociëteit tot den Handel in Amfioen (waar amfioen of amphioen gewoon opium is), want het is wel belangrijk om te weten dat deze tot stand kwam door toedoen van Gustaaf Willem baron van Imhoff, de gouverneur-generaal van de VOC in Batavia. De hoogste bestuurder van de VOC in Oost-Indië. Deze Van Imhoff vond dat de VOC er meer aan moest doen om te handelen in ruwe opium. Maar waarom? Daarvoor kunnen we weer even ‘terug’ naar de Gouden Eeuw.

Het stijve Nederland dat aan het herstellen was van de Beeldenstorm was nu niet echt een toonbeeld van tolerantie als het om drugs ging. Niet zoals het vandaag de dag gaat met bijvoorbeeld softdrugs. Nu is opium natuurlijk geen softdrug. Dat maakt de stap van een Nederlandse onderneming, die een monopolie had op de overzeese handel tussen de Republiek en al het gebied tussen ruwweg Kaap de Goede Hoop en de Straat van Magellaan, des te merkwaardiger. Er was een hele goede reden voor de handel in opium: het verkocht goed en het kon prima als alternatief dienen voor goud en zilver, waar een tekort aan was.

Lang voordat de Nederlanders ermee begonnen was er sprake van een handel in opium. Al snel kwam men er in de Republiek achter dat niemand echt zat te wachten op typisch Nederlandse producten. Het was eerder andersom. Men had waar die men in de Republiek maar wat graag wilde hebben. Daarvoor moest grif betaald worden. De specerijen kon je wel verplicht laten planten door boeren wiens eigen plantages je plat had gebrand op een of ander Indisch eiland, maar dat kostte wel erg veel moeite soms. Bovendien leverde dit andere problemen op: hongersnood onder de lokale bevolking en een mogelijke opstand. Dan was het “weg geld”, niet handig! Nee, het opium was een prima uitkomst.

In Azië wilde men opium hebben, maar het was niet overal te verkrijgen. De VOC kon betalen met goud en zilver, maar daarvan waren vaak tekorten. Daarom begon men met de handel in opium. Vandaar dat de Nederlanders dus graag een handelspost wilden hebben in Bengalen. Waarschijnlijk werd de uitzetting van de Portugezen door de Mogol van de regio in de Republiek met gejuich ontvangen. Nu zat men bij de bron. Nu kon men de opium doorverkopen. Vooral aan China, waar veel te halen viel en waar men niet geïnteresseerd was in Nederlandse koopwaar. Pas na 1676 werd het overigens serious business. De sultan van Mataram (Java) gaf de VOC het alleenrecht op de handel in opium. De vlag ging uit in Amsterdam!

Handelsgeest?

Nee, dit alles is niet leuk om te lezen. We willen liever verhalen horen over de handelsgeest van de Hollanders. Maar is dit geen handelsgeest? Is dit niet de manier om te krijgen wat je wilt? Of toch niet? Is het misschien moreel verwerpelijk? Toch is ook dát onderdeel van de Gouden Eeuw. Een eeuw waarover nu zoveel gedoe bestaat. Dat gedoe concentreert zich overigens niet echt hierom. Dat gaat over de slavernij.

Een andere belangrijke boost voor de economie was de handel in mensen. Of liever: slaven. Handel in mensen klinkt iets zachter, lijkt het. Toch was het keiharde slavenhandel. Handel in levend waar. Handel in vlees en bloed. Nee, geen dieren. Mensen. Alleen moeten we die slavenhandel niet alleen maar toeschrijven aan de VOC. Het was vooral de West-Indische Compagnie (WIC) die hier winsten mee wist te behalen. Over de WIC hoor en lees je veel minder. Maar dat is ook wel te verklaren. De excessen van de WIC als het om de handel in slaven ging deden zich vooral voor tijdens de periode tussen 1675 en 1792. Een periode die buiten de Gouden Eeuw valt. Hoe zit het dan in de periode tussen de oprichting en de eerste opheffing (1621 en 1674)? Toen hielt men zich vooral bezig met kaapvaart. Inderdaad, met behulp van een kaperbrief schepen uit het buitenland overvallen. Piraterij onder de vlag van de Republiek. Daarnaast veroverde men delen van wat we nu kennen als Brazilië en – in het noorden van Amerika – de Verenigde Staten. De mooie verwijzingen naar Hudson (Hudsons Bay, de rivier Hudson) zijn vernoemingen naar Henry Hudson. Lastig verhaal trouwens die Hudson, want hij zocht namens de VOC een doorgang naar Oost-Indië. Nooit gevonden natuurlijk, maar tal van geografische bekendheden van vandaag de dag zijn vernoemd naar Henry.

Zout

Maar goed, hoe zit het dan met de slavenhandel in de Gouden Eeuw? Daarvoor moeten we even kijken naar de manier waarop er door de Republiek gehandeld werd. Men handelde vooral in zout. Zout was een belangrijke bron van inkomsten. De Spaanse kroon wilde er alles aan doen om de bondgenootschappen die de Republiek gesloten had te breken, met als gevolg dat de Republiek op zoek moest gaan naar alternatieve plaatsen om zout te halen. Bijvoorbeeld in het Caribisch gebied. Ook daarvoor wilde Spanje een stokje steken. Het was het Twaalfjarige Bestand (1609 – 1621) dat ervoor zorgde dat dit uiteindelijk minder belangrijk werd. Nederland kon zelfs zout betrekken uit Spaanse gebieden. Na het uiteenvallen van het bestand besloot de Republiek om weer kaperbrieven uit te geven en maakte dit de weg vrij voor aanvallen op (vooral) Spaanse schepen. Maar men bleef om zich heen kijken naar alternatieven om rijkdom te vergaren. Toen men de stad Recife in handen kreeg bleek dat er voldoende commerciële gronden waren om in de slavenhandel te stappen. Toch was dit een aantal jaar daarvoor ondenkbaar geweest. Calvinistisch Nederland stond op haar achterste benen om andere landen te veroordelen. Later paste men dit standpunt aan. Wanneer er gehandeld werd in niet-christelijke slaven, dan was het allemaal zo erg nog niet. En daarmee begon de basis voor een florerende pijler van de economie van de Republiek: de slavenhandel.

Elmina

Om de handel zo makkelijk mogelijk te maken werd zelfs besloten tot een riskante operatie. In 1637 was het Cornelis Jol die fort Elmina innam. Elmina was eeuwenlang het centrum van de slavenhandel. Maar waarom? Om de simpele reden dat men aan de andere kant van de oceaan iets wilde verbouwen waarvoor menskracht nodig was. Bijvoorbeeld suiker in Brazilië.

Kortom, de slavenhandel was belangrijk tijdens de Gouden Eeuw. Maar hoe zat het dan met andere successen? We wonnen nieuw land dankzij het inpolderen. Maar, misschien belangrijker, we hadden wat te zeggen in Europa. Het waren niet langer de grootmachten zoals Engeland, Frankrijk en Spanje die het alleenrecht hadden. Nee, wij koppige Nederlanders met onze handelsgeest hadden nu wat te vertellen. Dat verklaart waarom men in Amsterdam de Herengracht met de Gouden Bocht liet aanleggen. Prinsen waren belangrijk, keizers waren belangrijk, maar de regenten wilden met de Herengracht aantonen dat zij het geld binnen wisten te halen en daarmee de groei van de Republiek mogelijk maakten.

Hoe goud?

Maar hoe goud was die eeuw nu eigenlijk? Goud suggereert iets duurs, iets waardevols. Wanneer we het hebben over een Gouden Eeuw, dan is dit een periode van bloei, van waarde. Maar welke waarde kennen we toe aan een periode waarin het geld of de rijkdom niet altijd op een eerlijke manier is verdiend? Dat is waar de discussie nu dus om gaat. Een moeilijke discussie.

Moeten we ervoor kiezen om de Gouden Eeuw om te dopen naar Zeventiende Eeuw? Het maakt de eeuw niet veel anders dan een tiende eeuw. Of een negentiende eeuw. Of is het te rechtvaardigen om een periode in de vaderlandse geschiedenis anders te gaan bekijken?

Andere perioden

Hoe zit dat met andere perioden? Neem nu een totaal andere periode in de vaderlandse geschiedenis. Ik heb alle boeken van Lou de Jong gelezen (Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 29 banden om precies te zijn). Ik heb gelezen over hoe de Nederlanders in het verzet kwamen tegen de Duitse overheersing. In de boeken kwam de rol van de foute Nederlanders – en die waren er – minder aan bod. Ook de vergoedingen die de Nederlandse Spoorwegen kregen voor de transporten van joden kwamen nauwelijks aan bod. Het was alsnog De Jong ons wilde laten zien dat de tirannie van de nazi’s er een was die alle Nederlanders tegenstond. Helaas, de waarheid is anders. In zijn boek De jacht op het verzet: het meedogenloze optreden van Sicherheitsdienst en Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat Ad van Liempt in op de rol die de collaborateurs en de Nederlandse politie speelden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na het lezen van dit boek was het duidelijk voor mij: Lou de Jong had besloten om bepaalde delen onder te belichten. Gevoed door een tijdsgeest waarin alles dat tijdens de oorlog gebeurde in de schoenen geschoven moest worden van de Duitsers, koos hij voor een manier van schrijven die alle Nederlanders van die tijd tot tegenstanders van het naziregime maakten. Dat was niet zo en die waarheid is moeilijk te bevatten. Net zo moeilijk te bevatten als de levendige handel in opium en slaven. Maar, we hebben de periode niet hernoemd. Al is dat een beetje lastig. De Tweede Wereldoorlog is nu eenmaal De Tweede Wereldoorlog. Met een kanttekening dat niet iedereen tijdens deze oorlog goed was. Maar hoe zit dat dan met de Gouden Eeuw.

De Gouden Eeuw kan ook een verwijzing zijn naar dat wat wel mooi en goed was. Niet alles in die periode – al zou je bijna anders denken na het lezen van bovengenoemde voorbeelden – was slecht. Niet alles had te maken met opiumhandel en slavenhandel. Schilderkunst had daarmee niets te maken. In essentie de manier waarop anderen hier hun toevlucht konden zoeken ook (met de kanttekening dat er niet voor iedereen dezelfde vrijheden waren). Dat maakt de ‘eeuw’ (nog steeds geen honderd jaar, sorry) een moeilijke eeuw. Ik zie prachtige voorbeelden van handelsgeest die wel door de beugel konden, maar ik zie ook tal van verschrikkelijke vormen van geweld en opportunisme. Elkaar uitspelen, elkaar naar het leven staan.

Misschien is het een goed idee deze periode in de vaderlandse geschiedenis niet te hernoemen. Maar een duidelijke kanttekening te plaatsen bij wat er gebeurde. Een kritisch geluid te laten horen. Dat een bepaald deel van de rijkdom (voor een selecte groep) het gevolg was van oneerlijke handel en praktijken.

Eerlijkheid en openheid

Tegenstrijdigheden zijn nooit goed. Zeker niet wanneer het een verschil betreft van dag en nacht of van positief en negatief. Daarom zouden we er verstandig aan doen om de kritische noten niet onbelicht te laten. Ze niet weg te zetten als onzin of zelfs landverraad. Laten we beginnen met eerlijkheid en openheid. Wat bracht deze periode, wat was de rol van Republiek en wat was de tol die dit geëist heeft?

Dat zou een goed idee kunnen zijn, maar ach… wat weet ik ervan?!

 

Goud die eeuw!
De handelsloge van de VOC in Hougly in Bengalen. Bron: Wikimedia
Volgen

Harm Jagerman

Trotse eigenaar van een website over zijn leven als fotograferende en schrijvende huisvader. Vader van twee kinderen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: